Een carburator is een deel van een verbrandingsmotor waarin lucht en brandstof (meestal benzine) vermengd en verneveld worden voordat het in de verbrandingskamer (cilinder) wordt gespoten of gezogen.

Een carburator is verbonden met een luchtinlaat, meestal een luchtfilter, en krijgt benzinetoevoer door een brandstofpomp. Het lucht-benzine mengsel verlaat de carburator, bij een viertaktmotor langs inlaatkleppen, om in de cilinders te worden verbrand.

Onderdelen van een carburator kunnen zijn:

  • benzinefilter (intern)
  • choke 
  • gasschuif
  • mengselverhoudingstelschroef
  • naald (ook wel gasnaald genoemd)
  • sproeier (1 of meerdere)
  • stationairstelschroef
  • venturi 
  • vlotter 
  • vlotternaald 
Een choke is een klep, die naast de gasklep, de hoeveelheid lucht voor de motor regelt. De chokeklep zit evenals de gasklep bij de luchtinlaat van de carburateur. Omdat bij een koude motor een deel van de benzine neerslaat op het inlaatgedeelte en de zuigerwand is er meer benzine nodig dan bij een warme motor. Door de klep te sluiten wordt het benzine/lucht mengsel rijker aan benzine en start een koude motor makkelijker. Als de motor op temperatuur komt, moet de chokeklep weer een beetje opengezet worden. Is de motor geheel op temperatuur dan moet de choke helemaal open staan, omdat anders de uitlaatkleppen van de motor verbranden.
Bij een koude start en een dichte choke mag met het gaspedaal niet teveel gas worden gegeven, omdat de motor anders verzuipt (te veel benzine krijgt), waardoor de bougie nat wordt van de benzine en geen vonk meer geeft.
Vroeger werd de choke met de hand bediend, later zijn automatische chokes toegepast, terwijl bij de huidige motoren met inspuit de choke geheel ontbreekt, omdat hier de hoeveelheid benzine electronisch wordt geregeld.

Het gaatje van een sproeier dient om een goed brandbaar lucht-benzine mengsel te creëren. Hiervoor is het belangrijk om de juiste maat sproeier te hebben.
Een te grote sproeier zorgt meestal voor een te rijk benzinemengsel, een te kleine sproeier zorgt meestal voor een te arm benzinemengsel. Bij tweetaktmotoren is een te arm mengsel vaak de oorzaak van een vastloper.
De meeste carburateurs hebben meer dan één sproeier. Er zijn bijvoorbeeld sproeiers om goed stationair te lopen en sproeiers die het mengsel regelen bij vol gas.

Een vlotternaald is de combinatie van een soort sproeier die kan worden afgesloten door een precies passende beweegbare naald met een veer. Het is een onderdeel van oudere carburateurs van auto's zonder intelligent motormanagementsysteem.
De vlotternaald-opening is normaal gesproken vrij wanneer er geen mengsel in het vlotterhuis aanwezig is. Wanneer het niveau stijgt doordat er benzine wordt aangezogen (tijdens het rijden) zal een lipje van de vlotter tegen de naald aankomen. Is het niveau te hoog, dan zal het lipje geheel tegen de beweegbare naald aandrukken en hiermee de benzinetoevoer stoppen. Hierdoor kan het niveau in de vlotterkamer dalen. Is het niveau voldoende gedaald dan blokkeert de naald de toevoer niet meer.